Philippe Van Snick

1993
As Long As It Lasts, tentoonstellingscatalogus

Brussel, 27 april 1993

Toen ik in 1987 begonnen ben met het schilderen van de Dag en Nacht asymmetrische reeks, gevolgd door de symmetrische, kwam de idee van formaat en plaatsing.
Het is zo, dat de plaatsing van de doeken onstand­vastig is, niet bepaald door een vooringestudeerd systeem. Het principe van vrijheid binnen de context.
Bij de symmetrische reeks zijn het enkel het dag­schilderij en het nachtschilderij die een symmetrische plaats innemen ten opzichte van elkaar, de kleurschilderijen plaatsen zich 'in relatie' daartegenover.
Tussen deze verschillende kleurvlakken en degene die ze plaatst, ontstaat een spanning die een moment­situatie weergeeft, tot de décrochage en de volgende accrochage.
In dezelfde tijd schreef ik bij de formaatbepalingen van het werk: Symmetrische en asymmetrische reeks Blow Up, 'dit werk kan nog groter, dan nog veel kleiner. Het bestaat eerst in de geest, waar dimensies relatief zijn en materialen niet nodig.'

Toen ik op 22 april bij Witte de With de ruimte zag die mij werd aangeboden om mijn schilderkunst te tonen, was de idee er onmiddellijk. De plaatsing van de respectievelijke kleuren stond vast. De vlakken waren aanwezig.

Het is een ASYMMETRISCH ROOD.


Brussel, 10 mei 1993

De behoefte van museumdirecteurs de kunstwerken te plaatsen in een vernieuwde omgeving, is niet nieuw. De wanden kleuren, nu eens met pastel dan met levendige kleuren, ontstaat waarschijnlijk door een behoefte de collecties te markeren met het feit, dat niet enkel de kunstwerken getuige zijn van een bepaalde tijd maar ook de persoonlijkheid van de plaatselijke museumdirecteur.
Zeker is, dat het kunstwerk als geïsoleerd object niet bestaat. Dat de neutraliteit ook niet bestaat. Het is een wereld van voorkeuren. Is dit nu belangrijk of is dit spelen? Komt de betekenis van het kunstwerk niet van binnen het kunstwerk? Spelen de directe omge­vingsfactoren een grote rol bij de betekenis-geving?

Een vernieuwde achtergrond kan revitaliserend wer­ken.
Toen men de muffe draperiewanden uit de 19de en begin 20ste eeuw verving door witte of halfwitte wan­den, kreeg men een frisse blik op het kunstwerk. Het kunstwerk kwam centraal te staan. Het museum ging open voor iedereen. Tezelfdertijd ging iets verloren.
De context waarin het kunstwerk tot stand is geko­men is niet terug te vinden in het museum. Het kunst­werk is een beetje dood, het wordt geplaatst in een koelkast, het is geïsoleerd, gerecupereerd, gecatalogi­seerd, of de wanden nu rood, geel of blauw zijn.

Wat met mijn werk bij Witte de With?
Er is geen vergelijk. Ik hang geen schilderijen of stel geen objecten ten opzichte van gekleurde wanden, die dan de toeschouwer en het kunstwerk in die zin moe­ten beïnvloeden. Ik maak een kunstwerk met inwen­dige en uitwendige spanningen, ik plaats Rood ten opzichte van Dag en Nacht in die bepaalde ruimte. De aandacht van de toeschouwer is niet gecentrali­seerd op een traditioneel schilderij aan de wand. Het schilderij is rondomrond als de werkelijkheid.