|
|
|
|
Als de Noorderzon niet meer wil ondergaan in de stilte van de midzomernacht, of als tijdens de lange winternacht toch even het licht van de dag doorkomt, als dag en nacht elkaar zo ontmoeten, dan lijkt de tijd wel even stil te staan, en het besef ervan de plaats te ruimen voor de magie van moeilijk te verbaliseren momenten van sereniteit en rust.
Wanneer dergelijke intense momenten gestalte krijgen in de kunst, doorheen beschilderde balken en kubussen die, gedragen door dunne schragen, als het ware in de ruimte zweven, en waar het blauw op een symbolische wijze de dag voorstelt en het zwart de nacht, dan wordt dat gevoel van sereniteit een essentieel en vitaal gegeven van het kunstwerk.
Dit gebeurde in "Instability of fundamentals", een installatie die Philippe Van Snick recentelijk tentoonstelde in de Antwerpse Zeno X Gallery.
"Instabiliteit van grondbeginselen".
Voor Van Snick, die steunt op een zeer menselijke benadering van de wereld, bestaan deze grondbeginselen eerst en vooral uit het begrip "tijd": de dag en de nacht, maar ook het ritme der seizoenen, de loop van het leven. Fundamenteel zijn tevens licht en donker, die met de tijd gepaard gaan. En de kleuren die dank zij het licht ontstaan. De primairen, de complementairen, wit en zwart, gouden zilver. Het immateriële en de materialiteit. Verder vormt het getal 10 een belangrijk beginsel: het tiendelig stelsel, van 0 to 9, de 10 kleuren. Ook essentiële vormen en volumes zoals vierkanten en rechthoeken, kubussen en balken, worden door Van Snick als basisbegrippen gehanteerd.
Naast deze vrij rationele benadering van beginselen, die de basis vormen van zijn visie op kunst en leven, is in zijn werk ook steeds een tegenpool aanwezig. Deze komt duidelijk tot uiting in het permanente besef van de absolute relativiteit van deze waarden, van de instabiliteit van dat alles. Immers, nooit sluit Van Snick de intuïtie of het subjectieve van de ervaring uit. Zij beschermen hem, en ook ons, tegen de steriliteit die dodend werkt. En al zijn dag en nacht verondersteld elkaar ritmisch en gelijkmatig op te volgen, toch weet hij al te goed dat ze, doorheen de individuele beleving ervan, telkens weer anders zijn. Dag en nacht kunnen zowel onmetelijk traag als vliegensvlug voorbij gaan. Ze kunnen niet enkel als symmetrisch maar ook als asymmetrisch ervaren worden. Ook kunnen ze, naargelang van de ervaring die hen kleurt, anders getint zijn.
In "Instability of fundamentals" werden dag en nacht, zowel in de symmetrische als in de asymmetrische opstelling, geconfronteerd met het geel. Voor sommigen is geel slechts een primaire kleur, voor anderen - naar het voorbeeld van W. Kandinsky - de kleur van de waanzin, maar voor velen is geel een symbool voor zon, licht, en zelfs blijdschap. De installatie van Antwerpen wekte een intens gevoel van statische monumentaliteit op. Tevens wist Van Snick die te kleuren met de warmte van een in iedere mens diep gewortelde drang naar vreugde.
Totaal anders wordt het werk dat Philippe Van Snick voor september 1990 in Nederland realiseert. Op voorstel van het PBK (Praktijkbureau voor Beeldende Kunsten) kreeg hij, als Belgisch kunstenaar, van het Nederlands Ministerie WVC de opdracht een werk te concipiëren en uit te voeren voor het nieuw gebouwde Wijkgezondheidscentrum Lunetten te Utrecht. Dit gebouw van de architect Johan Nuts dat opgericht is in een nieuwe woonwijk, wordt gekenmerkt door een centrale ruimte, die zowel als inkomhall en als articulatie- en circulatiezone voor de verschillende diensten zal fungeren. De opdracht voor Van Snick bestaat erin, in de vijf zithoeken-wachtzalen van deze ruimte in te grijpen.
Ook hier staan dag en nacht centraal. Ze zullen gesymboliseerd worden door een lichtblauw en een zwart gekleurd houten blok die op een kleine afstand van elkaar in een houten kistje geplaatst worden. Het kistje, dat een glazen voorwand bezit, wordt als een vlinderkastje of een kijkdoos in een natuurhistorisch museum, aan de muur gehangen. Per wachtzaal zullen er twee kistjes hangen. In elk kistje zal één van de 10 kleuren de achterwand en de binnenwanden rond dag en nacht kleuren. Zo zullen de 10 kleuren, in confrontatie met dag en nacht, twee per twee in de ruimte verspreid worden.
Waar in de installatie van Antwerpen de mogelijke ervaringen van de toeschouwer sterk bepaald werden door de bewuste keuze van het geel alsook door de grote afmetingen van het werk, is de propositie van Utrecht veeleer een open voorstel. De relatief kleine formaten dringen zich niet op. De kleuren lijken door hun verscheidenheid objectiever naast elkaar te mogen bestaan. Bijgevolg wordt de toeschouwer fysisch en psychisch minder gemanipuleerd. Integendeel, door de stille rust van deze twee aan twee hangende houten kisten, waarin dezelfde blauwe en zwarte blokken telkens geconfronteerd worden met een andere kleur, kan een rusteloos wachtende patiënt nieuwsgierig of zelfs geboeid worden, en zijn eigen gemoedstoestanden in de kleuren projecteren. De rol van het esthetisch aspect van het werk mag hierbij niet onderschat worden. Het werk is niet agressief. Het lokt ook geen agressiviteit uit.
Philippe Van Snick zal wel het samengaan van de kleuren en hun plaats in de verschillende zones (farmacie, kinderafdeling, tandheelkunde, psychiatrie, fysiotherapie) zelf bepalen.
In de trapzaal, tussen het gelijkvloers en het eerste verdiep, zal nog een elfde kistje hangen. Hier zullen dag en nacht geplaatst worden tegenover willekeurige fragmenten van de tien kleuren. Zo zullen deze symbolisch verenigd worden tot een geheel. Dit kistje zal dan ook vanuit de vijf wachthoeken zichtbaar zijn.
Het werk van Philippe Van Snick lijkt abstract. Toch roept het een wereld van beelden en ervaringen op. In dit werk kan repetitie ook verscheidenheid betekenen, kan fragmentatie veelheid worden en kan verdeling leiden tot volheid. Hetzelfde is telkens weer iets anders, en ogenschijnlijke monotonie betekent rijkdom, omdat het spruit uit een zoeken naar essentie.
Hierin schuilt dan ook de kracht ervan: doorheen schijnbaar eenvoudige gegevens (blauw en zwart, dag en nacht, 10 kleuren, enkele basisvormen en -volumes) slaagt Van Snick erin de complexiteit, niet alleen van zijn ervaring als mens en kunstenaar, maar tevens van het universum op te roepen. Zijn werk blijft steeds een open gegeven dat één ieder anders kan beleven en aanvoelen. Het is deze openheid die de keuze van de betrokkenen ten volle rechtvaardigt. |