Marie-Pascale Gildemyn

Dag / Nacht

1987
Artefactum, Vol.4 Nr.21

Eind 1984 begon Philippe Van Snick te werken met de dualistische gegevens Dag/Nacht, symbolisch ge­abstraheerd voorgesteld door een lichtblauwe en een zwarte rechthoek die steeds samen voorkomen. Sindsdien ontwikkelde hij een belangrijke reeks wer­ken waarin hij die fundamentele werkelijkheidsgege­vens, de dag en de nacht, als een alles omvattende reduktie van de realiteit artikuleert. Bij al deze werken vallen zowel een zeer synthetische, rationele geest op als een subtiele, gevoelige omgang met fysisch waar­neembare elementen zoals vorm, volume, ruimte, kleur. Het samengaan van die twee polen maakt de kracht uit van die werken.

Het eerste projekt in de reeks is een boek 10 Dagen - 10 Nachten, daterend van eind 1984 en in 1986 uit­gegeven bij Y. Gevaert. In dit werk associeert Philippe Van Snick voor het eerst de twee elementen dag en nacht met het begrip tien, dat in feite de tien elemen­ten, van 0 tot 9, vertegenwoordigt. De dualiteit, het binair stelsel, was reeds aanwezig in zijn werken ge­baseerd op de ellips (van 1968-69 tot 1981 ). Een el­lips omvat twee tegengestelde krachten, twee rich­tingen, twee symmetrie-assen, en kan door die eigen­schappen vergeleken worden met de tegenstelling­associatie dag/nacht. De tien elementen, van 0 tot 9, hanteert Philippe Van Snick reeds sinds 1973-74. Hierdoor breidde hij zijn binair stelsel uit tot een kon­krete vorm van oneindigheid, gezien men de elemen­ten 0 tot 9 oneindig kan combineren.

De wil om doorheen een beperking - dag/nacht, tien (0 tot 9) - op een oneindigheid aan mogelijkheden te duiden, is typerend voor de houding van Philippe Van Snick: steeds zoekt hij naar de meest eenvoudige, maar ook de meest essentiële wijze, niet om iets af te bakenen, maar veeleer om de onmogelijkheid om zich te beperken tot één begrensd systeem, precies via een eigen, open, systeem aan te tonen. Deze in het werk ingebouwde contradictie is bij hem van wezenlijk belang.
De tien cijferelementen, 0 tot 9, koppelt hij in 10 Da­gen - 10 Nachten aan 10 kleuren: de 3 primaire: rood, geel, blauw; de secundaire: oranje, groen, vio­let; de niet-kleuren wit en zwart; goud en zilver. Deze 10 kleuren maken reeds deel uit van zijn alfabet sinds 1980 (tentoonstelling ICC, Antwerpen).
Waar de 8 eerste verband houden met het immaterië­le van het licht, als gefragmenteerde deelelementen van wit licht (de primaire en de secundaire kleuren), of als aan- of afwezigheid van licht (wit en zwart), zijn goud en zilver voor Philippe Van Snick symbolen van de materialiteit, in de zin van rijkdom, (geld)waarde (cfr. zijn participatie aan de film Ceci n'est pas Bruxel­les van B. Lamy, 1984).
Kleur is voor Philippe Van Snick geen drager van energie, geen teken van subjectieve existentie, zoals bvb. in de monochromen van Yves Klein. Kleur is voor hem eerder een middel om, op een zeer fysi­sche, visueel waarneembare wijze, de realiteit, die zo­wel het immateriële als het materiële omvat, doorheen fragmenten van die realiteit, nl. kleurbestanddelen, aanwezig te stellen.
Kleur is ook, als deelelement van het licht, een be­langrijke factor in het proces van het zien, het resul­taat van onze menselijke capaciteit tot visuele waarne­ming. Het kan wetenschappelijk objectief omschreven worden, maar het is tegelijk voor ieder van ons anders. Deze objectief-subjectief karakteristiek van kleur is eveneens een boeiend dualistisch gegeven.
In het boek 10 Dagen - 10 Nachten werkt Philippe Van Snick op dubbel gevouwen bladen, waarvan de binnenkant telkens wit is (we zouden kunnen denken aan de waarde van het wit, als symbool voor het alles of het niets, in de achromen van Piero Manzoni). Op elk dubbel blad brengt hij telkens een lichtblauwe en een zwarte rechthoek aan op eenzelfde gekleurde on­dergrond. Dit doet hij met zijn 10 kleuren.
De basisprincipes van de dag/nacht werken zijn hier reeds in essentie aanwezig: de dualiteit dag-nacht; het besef van de tijd als een dynamisch principe (de te­genstelling dag/nacht die zelf drijfkracht wordt voor een nieuwe tegenstelling dag/nacht, enz ...; het repe­titieve in de opeenvolging van dagen en nachten die schijnbaar gelijk zijn (steeds dezelfde blauwe en zwar­te rechthoek) en toch steeds uniek (10 verschillend gekleurde ondergronden), het samengaan van objec­tieve vaststelling (dag/nacht, 10 kleuren) en subjectief ervaren (mijn dag, uw dag, enz. en persoonlijke affini­teiten, reakties ten overstaan van kleuren). Opvallend is hier ook reeds de uiteindelijk zeer persoonlijke wijze waarop Philippe Van Snick een essentiële ervaring, die wij in wezen allen ervaren, op een zeer intense en ook gevoelige wijze plastisch weet te vertalen en te visualiseren.
In april 1985 toonde Philippe Van Snick, in de Galerij R. Foncke te Gent, de eerste ruimtelijke voorstelling van Dag/Nacht: 2 kartonnen dozen, de ene licht­blauw, de andere zwart beschilderd, tegen de muur gehangen; daarvoor, op een tafel, 2 boeken met een zwarte kaft. Op één kaft is een lichtblauwe rechthoek geschilderd. Hier evolueert het werk van het vlak (de boeken) naar de ruimte (volume van de dozen). Door slechts één dag en één nacht te tonen, wordt het dy­namisch principe overstegen. Bij het simultaan naast elkaar plaatsen van twee tegenpolen (dag/nacht), hef­fen die polen elkaar als het ware op, doordat ze hun respectievelijke negatie (de negatie van de dag = nacht, die van de nacht = dag) absorberen in hun eigen affirmatie (dag, nacht). Uiteindelijk heeft men hier het gevoel van een rustpunt (niet passief, maar actief) .
Het repetitieve, ritmische, cyclische aspekt van de 10 dagen / 10 nachten, werd door Philippe Van Snick daarentegen zeer sterk benadrukt in de installatie die hij in het najaar 1985 realiseerde in de tentoonstelling Investigations te Luik: 2 x 10 jours l 10 nuits. Op elke muur van een gebogen en hellende betonnen gang, in de ondergrond van de Place St. Lambert, bracht hij een reeks van 10 dagen l 10 nachten aan: telkens 10 paren beschilderde kartonnen dozen. Bij elk paar is de voorkant van de linker doos lichtblauw en die van de rechter doos zwart beschilderd; terwijl de zijkanten van beide dozen in één van de 10 kleuren beschilderd zijn.
Door op de ene muur, beneden met rood te beginnen en op de andere muur boven, introduceert Philippe Van Snick hier een soort continuïteit van een op­waartse en neerwaartse beweging. Daar de kleuren zich daarenboven nog op de ene muur op een conca­ve en op de andere muur op een convexe manier ont­wikkelen, vullen die twee tegengestelde bewegingen elkaar aan en vormen als het ware een gesloten, con­tinue, structuur.
Ondanks die vrij sobere, systematische manier van lo­gisch denkend werken, worden die werken nooit ste­riel. Dat Philippe Van Snick sterke banden heeft met de realiteit van het leven rond hem blijkt uit het werk Broodthaers-Beuys dat hij begin 1986 toonde in het kader van de tentoonstelling Brussel-Antwerpen. Aller­Retour. Marcel Broodthaers (overl. januari 1976) en Jo­seph Beuys (overl. januari 1986) zijn precies 10 jaar na el­kaar overleden (dit past nu perfect in de denkwereld van Van Snick ...). Bovendien worden ze door velen erkend als zijnde twee van de voornaamste kunste­naars uit de tweede helft van deze eeuw. Door hun werk en hun houding ten overstaan van Kunst en We­reld gelden ze ook als twee absolute tegenpolen (cfr. bv. de Open brief aan Beuys uit 1972, waarin Marcel Broodthaers zichzelf met J. Offenbach en J. Beuys met R. Wagner associëert). AI die elementen boeien uiteraard Philippe Van Snick: hij stelt beide kunste­naars dan ook voor door twee fotografische portretten (30x40 cm) in 'echte' eiken lijsten vervat (links Broodthaers, rechts Beuys), gescheiden door 10 monochroom gekleurde, verschillende, vlakken. Doordat Beuys en Broodthaers licht schuin kijken, ontstaat er een soort driehoeksrelatie waardoor Van Snick zich­zelf, vrij subtiel en relativerend als derde kunstenaar, in 'zijn' werk introduceert ...
Het dag en nacht principe wordt hier dus figuurlijk toegepast op twee zeer kleurrijke en totaal verschillen­de persoonlijkheden uit de hedendaagse kunst; op twee polen die door hun intensiteit en kracht elkaar raken (en ook Philippe Van Snick niet onverschillig la­ten).
Naar aanleiding van de tentoonstelling Initiatief d'Amis, zomer 1986, te Gent, realiseerde Van Snick een erg mooie installatie Dag//Nacht. In dit werk wor­den dag en nacht voor het eerst door middel van los­staande, 3-dimensionale gekleurde verticale balken (dozen) vooropgesteld. Ze zijn 120 cm hoog, hebben een oppervlakte van 60 x 60 cm, de 4 opstaande wanden en de bodem zijn in hout en beschilderd, het bovenste vlak is in glas uitgevoerd. Hier wordt men geconfronteerd met een buitenkant en een binnen­kant, een inhoud, waardoor er een nieuwe soort spanning in het werk ontstaat.
Het werk, uitgevoerd op de twee muren van een vrij smalle gang, bestond uit 2 vierkanten (375 x 375 cm) op de muur geschilderd, en 2 gekleurde balken: op de linker muur een lichtblauw vierkant, rechts ervan was een zwart beschilderde (zowel binnen- als buiten­kant) balk geplaatst. Perfect aan de overkant was er een zwart vierkant op de muur geschilderd, en rechts ervan stond een blauwbeschilderde balk (zowel bin­nen- als buitenkant). De 2 balken stonden zó opge­steld dat de rechterzijde van het vierkant telkens exact overging in de linkerzijde van de balk. Door de glazen platen op de balken, en de opstelling, ontstond er in die balken een subtiel spel van weerkaatsingen: de dag spiegelde zich in de nacht terwijl de nacht in de diepte van de dag dook. Dag en nacht werden hier, ondanks hun uiterst geabstraheerde voorstelling, zowel reëel (de 2 vlakken, de 2 balken) als virtueel (de weerspiegelingen) vooropgesteld. De symmetrie van de opstelling - wat er is - riep een andere sym­metrie op - wat men ziet maar er in feite niet is. Zo weet men ook, al lijkt het soms ondenkbaar, dat uit de dag de nacht moet komen, en uit de nacht de dag; of, dat de dag de nacht zal opslorpen en de nacht de dag. Wat is en wat komt of was; het heden en het verleden of de toekomst; zekerheid en schijn­bare illusie.
In die sobere, gereduceerde en tegelijkertijd monu­mentale kompositie, bereikte Van Snick, door de spanning tussen wat getoond werd en wat gesugge­reerd was, een gevoelige, zelfs poëtische dimensie. Hier ontstond - in het kijken - een meer actieve participatie van de toeschouwer.
Het ruimtelijk aspect van dit werk werd door Philippe Van Snick verder ontwikkeld in de tentoonstelling Efe­meriden in mei 1987 (Montevideo, Antwerpen): een ruimtelijke installatie van 10 dagen / 10 nachten in 2 rijen van vertikale balken (120 cm hoog met een op­pervlakte van 40 x 40 cm). De buitenkant van de bal­ken rechts was telkens lichtblauw beschilderd, en die van de balken links zwart. De binnenkant van elk paar balken was helemaal beschilderd met één van de tien kleuren: te beginnen met rood aan de tuinkant (de kant van het licht, de zon) en eindigend met goud en zilver aan de straatkant (de kant ook van het 'sa­lon' ...). Op het eerste zicht ziet men dus één geheel, een repetitie van 0 tot 9 blauwe en 0 tot 9 zwarte balken. Als men echter in het werk loopt, en meer ge­differenciëerd gaat kijken, ziet men dat de 'inhoud' van de dagen en nachten telkens verschillend is, een fragment van die totaliteit en steeds weer even inte­ressant.
De visuele waarneming van die qua volume gelijke balken, wordt sterk beïnvloed door de fysiologische werking van de kleur. Daarbij komt nog dat de eigen psychische reactie van elke toeschouwer de inhoud van elke dag en nacht ook weer anders kleurt. Zo omvatten die 10 dagen / 10 nachten niet alleen een oneindig aantal mogelijke herhalingen in tijd en ruim­te, maar tevens een oneindig aantal verschillende sub­jectieve inhouden.
Visueel is het werk ook erg boeiend door die voortdu­rende interaktie van: kijken, een kleur zien, een eind verder weer die kleur vergeten door het zien van een andere kleur, het in het visueel geheugen oproepen van die kleur, enz.
In dezelfde tentoonstelling toonde Van Snick een an­dere variatie van Dag/Nacht: 2 losstaande, vertikale balken (120 cm hoog en 60 x 60 cm oppervlakte), aan de buitenkant respectievelijk blauw en zwart beschil­derd. De binnenkant van de balken is telkens in 10 veelhoekige vlakken willekeurig verdeeld. Elk vlak is beschilderd in één van de tien kleuren. De bodem van elke balk is bedekt met een spiegel.
Alle mogelijkheden in een ruimtelijke ontwikkeling aan­wezig in het voorgaand werk, zijn hier in één dag/nacht geconcentreerd: terug een statisch gegeven - rust - maar zeer dynamisch geladen. In beide de­len zijn de vlakindelingen gelijk, maar de kleurverde­ling is verschillend. Er is dus tegelijkertijd een symme­trie aanwezig (qua vorm) en een asymmetrie (qua kleur, dus inhoud); net zoals ook dag en nacht schijn­baar symmetrisch zijn, maar in wezen - qua inhoud - asymmetrisch.
Bovendien bestaat er zowel binnen de dag als binnen de nacht een soort symmetrie tussen het reëel en het virtueel beeld; tussen de werkelijke inhoud van dag en nacht en de weerkaatsing, de weerspiegeling, de illu­sie van wat het zou kunnen (geweest) zijn ...
In dit ogenschijnlijk vrij systematisch gegeven is de subjectieve inbreng van Van Snick zeer belangrijk: im­mers, de vlakverdeling en de kleurverspreiding gebeu­ren totaal willekeurig. Ze beantwoorden aan geen en­kel vooropgezet wiskundig of ander systeem. Ze wor­den enkel bepaald door de persoonlijke relatie van Philippe Van Snick tot kleur- en vormevenwicht. Op­vallend is dan ook dat het werk tegelijkertijd een haast koele demonstratie geeft van de subjectieve werking van de kleur op onze ruimte-ervaring: ondanks de ge­lijkenis in vlakverdeling worden dag en nacht totaal anders beleefd, door het feit dat de kleuren anders verspreid zijn.
Het zeer minimale van de Dag/Nacht installatie in Ini­tiatief d'Amis werd door Van Snick verder uitgewerkt in zijn tentoonstelling in januari 1987 in GA te Waas­munster: 3650 dagen / 3650 nachten. In het midden van de lege ruimte plaatste hij twee gelijke stapels papier (formaat van het tijdschrift van GA): links 3650 vellen waarop telkens een zwarte rechthoek gedrukt is, rechts 3650 vellen elk bedrukt met een lichtblauwe rechthoek. Zo stelde hij op een zeer essentiële wijze 10 jaar voor: 10 jaar aan dagen en 10 jaar aan nachten. Typerend hierbij is het opsplitsen van de dagen en de nachten (het binair stelsel) waardoor er een soort dynamische evolutie - van links naar rechts en van rechts naar links - bestaat naast de op- en neer­waartse beweging in de stapels.
In feite ziet men van elke stapel slechts het bovenste blad: de actualiteit van de dag of de nacht die men beleeft. In het verleden bekeken, zijn al die dagen en nachten ooit zeer reëel en aanwezig geweest, maar doorheen het verloop van de tijd hebben ze elkaar be­dekt en zijn ze in een vorm van anonimiteit terugge­vallen. In de toekomst geprojecteerd, kan men ze zien als die scheurkalenders - in het Frans ook 'Ephémé­ride' genaamd - waarbij men elke dag een blad wegneemt, waarop dikwijls markante gebeurtenissen van die dag, in andere jaartallen, vermeld worden. Daar ook ziet men enkel het bovenste blad - de dag die op dat moment is - terwijl de anderen nog onbe­kend verborgen blijven in de toekomst en ooit heden (dus zichtbaar) zullen zijn.
In mei 1987 voerde Van Snick een ander monumen­taal werk uit in Amsterdam met als titel Amsterdam 1. In het kader van het project van De Appel, Een ruimte voor Kunst - Muur voor een schilderij. Vloer voor een sculptuur bouwde de Belgische architect Paul Rob­brecht een muur in de bestaande ruimte van De Ap­pel. Van Snick beantwoordde dan de uitnodiging van de architect om de muur voor kunst te laten functio­neren, door er een dag/nacht werk op te realiseren. De muur bestond uit een groot en een klein vlak in L-vorm. Op het grootste deel bracht Philippe Van Snick een grote rechthoek aan in satin zwart (420 cm hoog, 390cm breed). Rechts daarvan, op de kleine strook muur, schilderde hij een lichtblauwe rechthoek (420 cm hoog, 70 cm breed). De twee vlakken waren gescheiden door een wit gelaten strook in de hoek. Door de grote afmetingen en de zelfstandige waarde van beide kleurpartijen werd in dit werk het begrip 'vlak' (in de zin van 2 dimensies) werkelijk overste­gen. Men had eerder de indruk geconfronteerd te worden met een artikulatie van 2 kleur-massa's. Dit was eveneens het geval in de installatie die hij voor de tentoonstelling Quai du Wault 1987 (juni 1987) in Rijsel (F) realiseerde. Hier veroorzaakten de 2 vlakken, die aangebracht op de grond vanop een loopbrug be­wandelbaar waren, een tegengestelde visuele illusie van diepte en ondiepte. Het in de Amsterdamse galerij steeds wisselend licht zorgde voor rijke en spannende veranderingen aan visuele en, daarbij samenhangend, emotionele ervaringen. Achteraf, door het centrum van Amsterdam wandelend, werd men, dank zij dit werk, nog gevoeliger voor de traditionele, zwart be­schilderde gevels tegen de lichtblauwe meimaandhemel ...
Inderdaad, uit al deze dag/nacht werken blijkt - hoe sterk ook de zeer sobere opbouw van de werken, die dikwijls aan wiskundige principes schijnen te beant­woorden, en structureel naar eenvoud streven - dat Philippe Van Snick in de eerste plaats een sterk ont­wikkeld gevoel heeft voor de bestaande, waarneem­bare werkelijkheid. Zijn synthetische geest gekoppeld aan een rake zin voor plastische elementen maken het hem mogelijk de geobserveerde werkelijkheid te verta­len, te transponeren, in symbolen van die realiteit. Op die wijze brengt hij de realiteit naar een ander vlak, namelijk dat van zijn realiteit, waar hij ons uitnodigt om de realiteit anders, meer essentiëel en genuan­ceerd, te bekijken en te beleven. Om die participatie optimaal mogelijk te maken, is het ook zo belangrijk dat hij primaire, elementaire begrippen hanteert. Be­grippen zoals dag en nacht, 0 tot 9, tien kleuren, die zijn leven, maar ook ons leven, ritmeren, articuleren, en door alle spanningen heen ook een zeker houvast en rust verlenen.